Het verhaal van Leo tho Neijenhuis

Ervaringen tijdens mijn verblijf in Japanse concentratiekampen, de bersiapperiode en de aankomst in Nederland. 

Mijn naam is Leo tho Neijenhuijs.Ik ben geboren in 1941 in een ziekenhuis te Soengei–Gerong, Sumatra, Nederlands-Indië.
 Mijn vader Leendert Johannes werkte als radiotelegrafist/ monteur bij de Standard Petroleum Maatschappij en was chef radio-telegraafverbindingen Nederlands-Indië. Zijn opleiding als telegrafist 1ste kl. bij Radio Holland te Scheveningen had hij gevolgd bij de Koninklijke Marine tijdens zijn vrijwillige diensttijd van 1932 t/m 1936. Hierna werkte hij tot 1941 als chef radiotelegrafist/monteur bij de China-Java Pakketvaart Mij.

Mijn moeder
Mijn moeder Maria C.J.J. van den Bol werkte voor zij mijn vader ontmoette als directiesecretaresse in Batavia. Zij sprak Engels, Duits en Frans vloeiend en ook stenografeerde zij in deze talen. Uit een vorig huwelijk waren 2 dochters voortgekomen, Anna (geb. 1933 en Gerritdina (geb. 1937).
Beiden gingen na hun huwelijk en mijn vaders aanstelling bij de Standard in een vrijstaande woning wonen op Pladjoe, waar zich een grote olieraffinaderij bevond. Mijn beide (half) zusters werden ondergebracht bij een bevriend echtpaar (de fam. Tettelaar) dat een pension runde in Kwitang 9 te Batavia omdat zij onderwijs moesten volgen. 

7 december 1941, de Japanners vallen Pearl Harbor aan en dit veranderde de Europese oorlog in een wereldoorlog. Mijn vader moest zich melden bij de onderzeebootdienst van de Koninklijk Marine en werd aangesteld als radiotelegrafist op de K XVI. 5 Dagen voor de Slag in de Javazee werd hij om hem onbekende redenen overgeplaatst naar de K XV die onder leiding stond van de luitenant ter zee Baron van Boetzelaer. Zoals bekend ging de KXVI tijdens deze slag met man en muis ten onder, de KXV wist na een Japanse olietanker getorpedeerd te hebben onder een 3 uur durend bombardement van dieptebommen te ontkomen naar Perth in Australië. 

De kampen 
Mijn moeder en ik werden gedwongen te vertrekken naar Batavia en afgevoerd in goederenwagons. In Batavia haalde zij haar twee dochters op en probeerde met ons onder te duiken. Na op twee adressen in een gedwongen situatie sexueel misbruikt te zijn, besloot zij zich aan te geven bij de Kempeitai (militaire politie) waar zij een pendaftaran (persoonsbewijs) ontving. Hierna werden wij geïnterneerd in kamp Malang waar wij ingeschreven werden onder de kampnummers 3400 t/m 3403. Na 5 maanden werden wij afgevoerd naar het concentratiekamp Banjoe Biroe, kamp 10-II. Vergeten is dat 10-II (een voormalige gevangenis) een afdeling was waar vrouwen en kinderen in geplaatst werden wier mannen nog vochten tegen de Japanse overheersers. De ligplekken die ons toegewezen werden bedroegen 90 cm. bij 45 cm. Hier ontvingen wij een door de Japanners uitgedachte speciale behandeling en brak de hel voor ons in alle hevigheid los. 

In het begin mochten op vastgestelde tijden nog een aantal vrouwen het kamp verlaten om voor wat voedsel te zorgen. Met zilvergeld of sieraden die zij verborgen hadden in kledingstukken of ons speelgoed konden zij dan bv. 1 ei voor een zilveren rijksdaalder omruilen. Mijn moeder verliet het kamp op de fiets met een melkkannetje maar moest binnen de gestelde tijd weer terug zijn. Samen met mijn oudste zus stond ik haar achter de tralies op te wachten, maar inmiddels was de poort dicht, zij was te laat. Op een bepaald moment zagen wij haar aankomen en begonnen de Japanners op de wachttoren tegen haar te schreeuwen. Wij gingen ervan uit dat de poort geopend zou worden, maar het tegendeel gebeurde. Voor onze ogen werd zij neergeschoten, sloeg van de fiets af en kwam terecht in het omringende prikkeldraad. Wij waren volledig afhankelijk van haar en werden overmand door een diepe wanhoop toen wij haar hoorden schreeuwen. Ik keek op naar waar de schoten vandaan kwamen en zag de Japanners grijnzen, lachen en wijzen. Zij lieten haar liggen en wij werden door een aantal vrouwen in shock weggehaald. Maar ’s nachts hoorden vrouwen haar nog kreunen en besloten alsnog te proberen haar weg te halen. Dat lukte, maar zij was stervende. Zij werd opgenomen in het kamphospitaal dat werd gerund door een aantal R.K.- nonnen. Hoe zij overleefde weet ik niet, immers er waren geen medicamenten voorradig, maar na 3 maanden mochten wij haar pas weer opzoeken en na ruim 5 maanden verliet zij het hospitaaltje. Haar lichaam onder de schrammen en scheuren van het prikkeldraad en met 3 kogelwonden. 

Regelmatig werden de barakken onderzocht op sieraden en geld dat ingeleverd had moeten worden. Hiervoor moesten de barakken snel ontruimd worden en dit ging met het nodige geweld gepaard, waarbij zwepen werden gebruikt, geslagen en geschopt werd en wespennesten in de barakken werden gegooid als de vrouwen en kinderen niet snel genoeg maakten dat zij wegkwamen. Hierna werden wij verzameld op de binnenplaats, waar wij uren lang in een kokendhete zon zonder drinken of enige verkoeling moesten wachten. Staande wel te verstaan, alleen kinderen tot 5 jaar mochten gaan zitten. Ik zag in volledige paniek vrouwen en oudere kinderen om mij heen bewusteloos neerzijgen. 

Veel vrouwen waren het zat om de groet ‘keirei’ (buigt) voor de Japanse vlag of de militaire kampbewakers te brengen. Het werd ervaren als zeer vernederend, zeker de groet aan de Japanse vlag. Zij werden dan in elkaar geslagen of geschopt, maar een aantal bleven weigeren. Zij werden terechtgesteld en alle vrouwen en kinderen (klein of niet) moesten toezien hoe zij met de katana (Het Japanse zwaard) werden onthoofd. De ontzetting en het afgrijzen sidderde door ons heen, maar de Japanners kregen hun zin, het keirei werd niet meer vergeten. Maar tot vandaag de dag weiger ik categorisch voor wie dan ook te buigen. 

Spelend vergat ik het keirei natuurlijk wel regelmatig en werd bij één van deze gelegenheden in mijn buik geschopt, waardoor – decennia later bij een medisch onderzoek - bleek dat mijn maagwand gescheurd was en de maag over de slokdarm geschoten was. Hoe overleef je dit en hoe overleef je de talrijke (tropische) ziektes, kinderziektes, tropenzweren die ontstonden en vooral de honger. De honger was onverdraaglijk en verzwakte ons totaal. 

Vanaf 1944 werden wij op een dieet gezet van 900/1100 cal. per dag en vanaf 1945 werden wij langzaam uitgehongerd op een dieet van 700 cal. per dag. Iedere dag onderzochten wij de vuilnisbelt bij de kookplaatsen voor de Japanners op weggegooide etensresten. Uit de kippenkoppen bv. pulkten wij de tongetjes los om die op te eten en rijstkorrels werden voorzichtig uit het vuil geplukt en direct in de mond gestopt. Ook zochten wij eetbare slakken die overigens walgelijk smaakten, maar alles wat binnen bleef was meegenomen. Maar duidelijk werd dat de Japanse overheersers erop uit waren om ons uit te roeien, langzaam maar zeker dat was overduidelijk. En bleek veel later uit de militaire documenten die gevonden waren en de overduidelijke opdrachten die hierin stonden.

Mijn vader
Die had ik nog nooit gezien, althans ik herinnerde mij hem niet meer.
De bemanning van de onderzeeër KXV bleef uitgezonden worden, na in Perth te zijn opgekalefaterd. In maart 1942 werd hij bevorderd tot sergeant radiotelegrafist en hoofd machinekamer. Waarna hij o.a. nog een drietal zeeslagen meemaakte. De Atlantische Oceaan (de Moermansktransporten), de Grote Oceaan en de Pacific. Begin 1944 werd de bemanning uitgenodigd bij prinses Juliana en prins Bernhard in Ottowa. In oktober 1944 bezochten zij Londen en werden door koningin Wilhelmina persoonlijk onderscheiden, zo ontving o.a. mijn vader het Bronzen Kruis en bij deze plechtigheid liet zij de bemanning weten dat zij behoorden tot de ware zeehelden van Holland en dat zij bij moeilijkheden altijd een beroep op haar konden Al bij al werd de onderzeedienst op 6 juni 1947 als geheel onderscheiden met de Militaire Willemsorde 4e klasse, voor al diegenen die gedurende de oorlogsjaren het Vaderland dapper gediend hadden aan boord van onderzeeboten. 

Maar bij al dit vertoon wist hij niet of zijn vrouw en kinderen nog leefden, noch wisten wij of hij nog wel leefde. Daar wist het Internationale Rode Kruis ook geen antwoord op. 

De Bersiap periode
Het meest walgelijke vernietigingswapen ooit door mensen uitgevonden, redde ons leven. Na het werpen van een tweetal atoombommen op Hiroshima (6 augustus 1945) en Nagasaki 9 augustus 1945), gaven de Japanners zich over op 15 augustus 1945. Echter op 17 augustus 1945 riep Soekarno de onafhankelijkheid (de Hari Proklamasi) uit van de Repoeblik Indonesia. En vanaf dat moment begon feitelijk de Bersiapperiode. Door Japanners opgeleidde en bewapende jongeren (de Pemuda’s) begonnen alles en iedereen die als bedreigend voor de revolutie werden gezien, uit te moorden en gebruikten behalve messen, zwaarden, klewangs of vuurwapens (die er te weinig waren) polsdikke bamboestokken met aangescherpte punten. 

De Japanners kregen van de geallieerden de opdracht om alle krijgsgevangenen, inclusief vrouwen en kinderen te beschermen. Daardoor, gezien de zeer onveilige situatie werden wij pas op 20 september 1945 uit de kampen gehaald. Maar eerst kregen wij bezoek van de voorzitter van het Internationale Rode Kruis, Lady Mountbatten. Geschokt liet zij de kampen fotograferen en filmen als bewijs voor de erbarmelijke omstandigheden waarin wij verkeerden. 

Met militaire trucks, omhangen met matrassen die als kogelvangers moesten dienen, werden wij afgevoerd. Een gedeelte van het kamp, waaronder mijn moeder, twee zusters en ik werden uitgenodigd door de Soesoehoenan van Djokja om in zijn kraton enigszins op krachten te komen. Wij werden naar een trein gebracht en vertrokken opgelucht, niet wetend wat ons nog te wachten stond. Halverwege werd onze trein, waarin zich ook Japanse kampbewakers bevonden die voor onze veiligheid moesten zorgen, tot stoppen gedwongen. En toen begon het moorden onder zeer sterk verzwakte kinderen en vrouwen die geen enkele weerstand meer hadden. Onder het slaken van de kreet ‘bersiap’ werden in de treincoupés vrouwen en kinderen letterlijk de hersens ingeslagen of gespietst met aangescherpte bamboesperen of aan stukken gehakt met klewangs. De Japanse bewakers waren hier nauwelijks tegen opgewassen, maar één bewaker stelde zich voor onze coupé op met de bajonet op het geweer. Ons liet hij onder de banken plaatsnemen, waar wij de doodskreten en het geschreeuw aanhoorden en zelf in doodsangst verkeerden. Met gevaar voor eigen leven beschermde hij ons en spietste een aantal pemuda’s aan de bajonet. Aan hem dankten wij ons leven dat hij eerst als kampbewaker zo achteloos minachtte. 

Later vernamen wij dat vele vrouwen en kinderen die afgevoerd waren in militaire trucks tot stoppen waren gedwongen, waarna zij met automatische wapens onder vuur werden genomen en met handgranaten die achteloos tussen hen in werden gegooid, werden afgeslacht door de ‘dappere’ vrijheidsstrijders van de Repoeblik. 

Weer later ontmoetten wij mijn vader, een man van ruim 1 meter 85, in het uniform van de KNIL, tijdelijk bevorderd tot kapitein schietinstructeur. Hij moest de Nederlandse militairen die eind 1945 eindelijk toegelaten werden door het Britse Opperbevel en voor veiligheid moesten zorgen (de enige echte politionele actie), leren omgaan met vuurwapens. Feitelijk was het een bizarre hereniging, een man ontmoeten die je totaal niet van gezicht kende en ver boven je uittoornde, je ‘pappa’ te noemen. Vervreemd waren wij van hem en hij van ons, maar intens gelukkig dat wij en hij hadden overleefd. 

Uiteindelijk werden wij weer ondergebracht bij de familie Tettelaar (mevrouw Tettelaar was een Javaanse prinses en getrouwd met de heer Tettelaar, een Rotterdamse kleermaker) die nog steeds in hun huis op Kwitang 9 in Batavia woonden. Wij werden begroet als familie en weer door hen opgenomen. Zij hadden 3 zoons, de twee oudsten Koos en Charles hadden verzet gepleegd tegen de Japanse onderdrukkers en waren uiteindelijk opgepakt door de Kempeitai en na gemarteld te zijn onthoofd. De jongste zoon Dickie en het echtpaar Tettelaar waren wonderlijk genoeg verder met rust gelaten. 

Door de toenemende onrust en moordpartijen in Batavia had mijn vader aan mijn moeder een revolver gegeven voor haar en onze bescherming. Die zij altijd op haar heup droeg. Zelf droeg hij onafgebroken een z.g. Tommygun bij zich en dat was maar goed ook. Regelmatig bezochten wij de pasar en bij een van deze bezoeken vielen enige honderden Pemuda’s die uit alle stegen en straten te voorschijn kwamen ons plotseling aan. Juist op dat moment stonden wij bij de kraam van een Chinese lakenkoopman, waar mijn moeder wat lakens aanschafte. Op gezag van mijn vader doken wij onder zijn kraam, mijn moeder beschermde mij met haar getrokken revolver en lag voor mij. De Chinese lakenkoopman lag met een in doodsangst vertrokken gelaat naast mij. Mijn vader riep alle gewapende mannen tot de orde en stelde hen op in linie. Hij gaf opdracht een spervuur te lanceren over de hoofden van de Pemuda’s. In recordtijd namen zij de benen en konden wij weer naar onze veilige woning. 

Veilig? Tegenover het huis bevond zich een Gurkha regiment dat ’s nachts regelmatig werd aangevallen. Als het gepommom en het geknal van de wapens begon, moesten wij uit bed komen en stonden alle gasten met wapens in de hand af te wachten wat er verder zou gebeuren. Bij één van deze gelegenheden sloegen de kogels ons om de oren en zagen wij de Gurkha’s een rechtstreekse aanval uitvoeren op de pemuda’s. 

Uiteindelijk werd de toestand zo ernstig dat wij gerepatrieerd moesten worden. Op 11 augustus 1946 verlieten wij met de Boschfontein het voormalige Nederlands Indië.
Vluchtelingen in eigen land. Want was het niet zo dat Indië bijna 4 eeuwen Nederlands grondgebied was en haar burgers de Nederlands Indische nationaliteit hadden? Of domweg Nederlandse staatsburgers waren? Maar van vluchtelingenhulp hadden ze in Nederland nog geen idee zoals bleek toen wij uiteindelijk in Holland aankwamen. In Holland was men nog maar net begonnen hun geweten schoon te poetsen door het verraad aan de Joodse bevolking en met de hulp die zij verleend hadden aan de Nazi’s met hun vernietiging. 

Aankomst in Holland: volledige nalatigheid van de autoriteiten in opvang en hulp 
20 september 1946, een grijze sombere dag met motregen kwamen wij via IJmuiden aan in Amsterdam. Mijn moeder wees ons van alles aan en vertelde hierover zo veel mogelijk.. Maar ik vroeg haar waar alle kleurtjes in dit land gebleven waren want ik begreep niets van al die grauwheid. Maar niet alleen het weer was kil, maar de opvang en kilte waar wij mee geconfronteerd werden overtrof alle koude weersverwachtingen. 

Het Internationale Rode Kruis had ons in Port Said winterkleding verstrekt, te groot te klein het maakte niet uit, wij moesten het ermee doen in het koude kikkerland. Dat was alle hulp zo’n beetje die verstrekt werd. Bij aankomst in Holland werden wij naar Doorn gebracht en hierna verwezen naar familie opvang. 

Het eerste adres was bij mijn grootmoeder in Den Haag. Zij woonde in een 2 kamerwoning met keuken, 1 toilet, een zolder en geen badgelegenheid. De achterkamer werd al bewoond door haar jongste dochter met haar echtgenoot en 1 kind. Hierbij werden wij geplaatst, 2 volwassenen en 3 kinderen. 5 volwassenen en 4 kinderen, slapend op matrassen op zolder. Dit ging natuurlijk nooit goed en de spanningen liepen op. Uiteindelijk besloot mijn moeder mijn 2 zusters naar hun familie in Delden te sturen, waar zij ook weer naar school konden gaan. Mijn vader was nog in militaire dienst en moest eind 1946 weer terug naar Indië, waar hij ook zou proberen een nieuw bestaan op te bouwen. Uiteindelijk moest mijn moeder en ik door de oplopende spanningen naar haar ouders in Rotterdam verhuizen. Hier verbleven wij 1 jaar en zouden eind 1947 weer terug gaan naar Indië. Inmiddels probeerde zij weer aan het werk te komen als directiesecretaresse, aangezien onze inkomsten vrijwel nihil waren. Dit lukte nauwelijks zodat zij maar elk werk aannam dat zij krijgen kon. Wederom verhuisden wij naar een gemeubileerde woning in Rotterdam. Tegelijkertijd liep haar gezondheid zienderogen achteruit en begon het gebeuren uit de concentratiekampen en de Bersiapperiode haar gezondheid te ondermijnen. Dus werden zij en ik voor 3 maanden naar zee gestuurd en 3 maanden naar de bossen. Nog steeds zonder enige hulp of inkomsten, zodat mijn vader uit Indië het weinige dat hij daar verdiende gedeeltelijk naar Holland opstuurde. 

Half oktober 1947 kwam mijn vader weer terug, aangezien hij ruimschoots aan zag komen dat Nederland het nooit uit zou houden in Indonesië. Dit in tegenstelling tot de enorme kortzichtigheid van de toenmalige Nederlandse politiek. Maar ook hij moest als gedecoreerd oorlogsveteraan weer werk zoeken en bleef zonder inkomsten. Vanaf 1948 vond hij werk bij de Rijksluchtvaartdienst als luchtverkeersleider op Schiphol. Inmiddels woonden wij op het derde adres in Amsterdam, steeds in gemeubileerde appartementen. 

Voor de troonswisseling in 1948 vond mijn moeder het inmiddels welletjes en schreef zij een brief aan koningin Wilhelmina met daarin vermeld haar belofte tijdens de ontvangst van de bemanning van de KXV in Londen in 1944. Haar verzoek om een woning werd in september 1948 gehonoreerd. Eindelijk een vaste woning, huurprijs 148 gulden, het salaris van mijn vader bedroeg 225 gulden. Geen geld echter om de woning in te richten, zodat wij maandenlang op een plankenvloer zaten. De inrichting was uiterst schaars en wij aten aan een scheepskist met geleend bestek en geleende borden. Ook het weinige meubilair was geleend tot de bedden toe. Mijn moeder ging werken als directiesecretaresse voor één van de eerste uitzendbureaus (Raad & Daad) dat was opgericht door twee Joodse burgers die de oorlog nauwelijks overleefd hadden. De inkomsten bleven echter marginaal en werden nog erger toen in 1949 mijn vader te kennen werd gegeven dat hij een gedeelte van zijn inkomen die hij verdiend had tijdens de oorlog terug moest geven. Ook een aantal voorschotten die hij ontvangen had om zijn zorgplicht te vervullen toen bleek dat wij levend uit de concentratiekampen waren gekomen, moesten terugbetaald worden. Mijn moeder heeft daardoor 15 maanden lang uitsluitend voor de belastingen moeten werken. Aan de zorgplicht voor mijn twee zusters konden zij onmogelijk voldoen, waardoor mijn zusters eind 1949 tegen onze zin naar hun eigen vader in de Verenigde Staten werden gestuurd. Een vader die zij nauwelijks kenden en al helemaal niet herkenden. Zo werden wij uit elkaar getrokken, tegen wil en dank en dankzij de verfijnde en volledig antisociale methodes van de Nederlandse Staat, een verscheurde familie. Zo ging de Staat dus met hun “oorlogshelden” om. Eind 1951 kwam er uiteindelijk na bijna 7 jaar wat financiële verlichting en raakten wij langzamerhand uit de armoede. 

Mijn zusters
Mijn beide zusters waar ik door onze ervaringen in de kampen een zeer sterke band mee had heb ik in 52 jaar nog 6 maal in levende lijve ontmoet. 

In 1971 werd de keizerlijke fascist van Japan, één van de grootste oorlogsmisdadigers uit de 20ste eeuw door de toenmalige minister van BZ Luns (voormalig NSB’er, maar “dat was mijn broer”) naar Nederland gehaald. Voor mij en vele anderen een onduldbare handeling. Onze cabaretier Wim Kan begon te ageren en ondanks het feit dat mijn moeder nooit iets vertelde over de Japanse concentratiekampen, begonnen voor mij de nachtmerries en de bijbehorende post traumatische stresstoornissen. Uiteindelijk werd ik in januari 1973 in deplorabele toestand opgenomen in de Jelgersmakliniek te Oegstgeest bij prof.dr. J. Bastiaans. Vanaf 1 februari van dat jaar werd ik erkend als vervolgde en oorlogsgetroffene door de Uitkeringsraad en na 6 maanden kon ik de Jelgersmakliniek weer verlaten en weer normaal functioneren in onze maatschappij als hoofd salarisadministrateur en volgde ik MO-A cursussen Nederlands en Nederlandse Letteren. 

Mijn vader overleed verbitterd en met kankeruitzaaïngen in zijn gehele lijf in 1988. Mijn moeder overleed in 1998, door een kankertumor in haar hersenen. 

 
 
 
Copyright © 2017 Pia Media B.V.