Het verhaal van Leonard Kuijpers (soldaat)
02-­10-­1926 tot 16-12-­1947

En zijn kameraden:


J. Bolleurs (soldaat) 
J.M.A. Doove (soldaat) 
J. van den Braak (soldaat) 
J.F. van Geneygen (soldaat) 
J.H. Hermans (soldaat) 

W.J. Jonker (korporaal)
 



Het vertrek

Leo Kuijpers vertrekt op 15 februari 1947 met zijn bataljon 4.7. R.I. met het ms. Kota Baru om 07.00 uur uit Rotterdam naar Indië. Op 18 maart 1947 komt het bataljon aan in Palembang op Zuid-­Sumatra. Het bataljon wordt ingezet bij de beveiliging en bewaking van Nuts-­en Havenbedrijven. Na de 1e politionele actie in juli 1947 wordt het in het gebied rond Palembang rustig. Enkele eenheden van 4.7. R.I. worden dan overgeplaatst naar de buitenposten in Zuid-­‐‑Sumatra. Een veelal ontoegankelijk, moerassig gebied, genaamd ‘de Lampongs’, dat door benden en TNI-­‐‑soldaten wordt geïnfiltreerd en onveilig gemaakt.

De opdracht

Op 15 december 1947 vertrekt een patrouille van 7 man van 4.7. R.I. uit het detachement Moeara Koeang. De commandant is de korporaal Jonker. Een van de soldaten is Leo Kuijpers uit St. Michielsgestel.

De opdracht is een 2-­daagse voetpatrouille over de hoofdweg tot de plaats Koeanganjar, daar de rivier de Komering oversteken en via Talang Kapoeng naar Talang Nilang. Overnachten in Talang Nilang. De patrouille is bewapend met 1 bren, 1 stengun, 5 geweren en 8 handgranaten. De patrouillecommandant Jonker is in het bezit van een kaart en een kompas.

De volgende dag zal de patrouille een andere patrouille ontmoeten, die via Air Taroem ook naar Talang Nilang zal komen. Deze patrouille staat onder leiding van de detachementscommandant van 4.7. R.I., Het plan is om de tweede dag samen terug te lopen naar het detachement in Moeara Koeang. De patrouille van de detachementscommandant van 4.7. R.I. kan echter Talang Nilang niet bereiken omdat het gebied onbegaanbaar blijkt. De afspraak is dat als beide patrouilles elkaar de volgende dag (16 december) niet zouden ontmoeten, gewacht zou worden tot 08.00 uur. Daarna zouden de patrouilles terugkeren naar Moeara Koeang.
Maar als de avond van 16 december 1947 valt, is de patrouille van korporaal Jonker niet teruggekeerd in Moeara Koeang.

Patrouille vermoord

Op 21 december 1947 arresteert een opsporingspatrouille van 7 RS (= Regiment Stoottroepen) een tani (= een Indonesische boer) uit Negerisaki. Uit de verklaring van deze boer en verklaringen van andere arrestanten, wordt het volgende opgemaakt:

De patrouille onder leiding van de korporaal Jonker, wordt op 17 december opgewacht en beschoten door een bende van 200 man, onder leiding van Pa Effendi Basjah. De patrouille heeft geen verliezen, doch doden enkele leden van de bende. Hierna wijken zij uit in de richting van Talang Sendjagon, even ten zuiden van Tjampang-­Tigo.

Ten zuiden van Talang Sendjagon worden zij opnieuw door een andere bende van ongeveer 300 man onder Pa Simandjoentak omsingeld, waarbij geen schoten worden gelost. Na verloop van ongeveer een uur laat de commandant van de bende, Pa Simandjoentak, een briefje brengen naar de Nederlandse patrouille commandant, de korporaal Jonker, met de vraag wat de Nederlanders willen doen, nu zij omsingeld zijn. Kort hierop komt het antwoord: overgeven. Zij hebben geen eten meer en zijn uitgeput.

De patrouille wordt overgegeven aan de krio (= oudste) van Sendjagon, een zekere Sjamsoeddin. Op het erf van deze Sjamsoeddin worden tafels geplaatst waarop vruchten en koffie worden uitgestald. Na de koffie wordt binnenshuis een rijstmaaltijd gegeten. Daarbij zijn ook de gevangen genomen Nederlandse militairen uitgenodigd en aanwezig. De wapens die de Nederlanders in een prauw hebben moeten achterlaten, worden door Sjamsoeddin buitgemaakt.

Na de maaltijd vertrekken de 7 ongewapende Nederlandse soldaten met een TNI-­‐‑ commandant genaamd Simandjoentak naar Kangkoeng. Deze man is een Batakker en spreekt Nederlands. In Kangkoeng wordt op de pasar weer gegeten, waarna de Nederlanders door Simandjoentak gevangen worden genomen. Hun hele bezit moeten zij afgeven. Er wordt geen schot gelost. De Nederlanders verweren zich niet. Geen van hen is gewond. Na het eten worden de Nederlanders in opdracht van Simandjoentak één voor één naar buiten geroepen waarna zij geblinddoekt en de handen vastgebonden worden door de volgende TNI-­‐‑leden: Hassan bin Sang Ratie, Toeah bin Djalan en Dja'ʹpar bin Singa Depati.

Daarna worden de Nederlandse soldaten naar de pasar van Kangkoeng gebracht. De bevolking die tot op dat moment steeds toeschouwer is geweest, mag op deze tocht niet mee. Op de pasar in Kangkoeng worden de Nederlanders vermoord met messen en stukken hout door Simandjoentak en zijn broer Liberty, waarna de lijken in de rivier de Komering worden geworpen.

De zoektochten

Nadat op 16 december 1947 ʹs avonds de patrouille van korporaal Jonker niet is teruggekeerd, wordt de volgende dag, op 17 december 1947 door de detachementscommandant opdracht tot opsporing gegeven. Zeventig man van 4.7. R.I. beginnen op 18 december aan een bijna onmogelijke taak: het gevaarlijke en moerassige gebied tussen de rivieren Ogan en Komering intensief en systematisch af te zoeken. De zoektochten vanuit Moeara Koeang duren tot 21 december, maar de patrouille wordt niet gevonden.

Ook vanuit andere delen van Zuid-­Sumatra worden opsporingen verricht, maar de patrouilles lopen stuk op ondoorwaadbaar moeras. Ook deze patrouilles hebben geen resultaat. Op 22 december 1947 wordt daarom besloten de zoektochten te staken.

Drie lichamen gevonden

De derde compagnie van 4.7. R.I. komt op 17 december 1947 op de buitenpost bij de kampong Goenoeng Batoe aan. Het is er verlaten en doods. Al tijdens de eerste dag komen de mannen zwaar onder vuur te liggen. Als de avond valt horen ze dat de patrouille van Korporaal Jonker vermist is.

Sergeant-­majoor Van de Zande ( 4.7. R.I. ) herinnert zich: ʺOp zaterdag 20 december om 11.00 uur wordt er vanaf de brug over de Komering alarm geslagen: er drijft iets op de rivier. Snel wordt een prauw geregeld. Het lijk van een blanke man wordt aan de kant gebracht. De verwondingen aan zijn lichaam wijzen op ernstige mishandeling en hij is onthoofd. Om 13.00 uur is er opnieuw alarm: een tweede lijk komt de rivier afdrijven. Deze man is niet onthoofd, maar nog erger mishandeld en zijn handen zijn op zijn rug gebonden."

Van der Sande: “Van de lichamen kwam een geweldige reuk af. Toen hebben wij een biezen matje gepakt en daar hebben we ze ingelegd en toen op de kant gehaald. We hebben een graf gegraven, maar de grond daar was erg moerassig dus in dat graf ging water staan. We hebben de lichamen naar beneden moeten duwen en toen zand erop want anders kwamen de lichamen weer naar boven. Zo moerassig was het. We hebben ze begraven naast het bureau'tje waar ik zat, naast het kamponghuis. En een kruis gemaakt met de datum er op. Het was 20 december.ʺ

Op 29 december om 14.00 uur komt het derde lichaam de rivier afdrijven. Opnieuw is het een blanke man, een militair. Hij heeft zijn onderbroek nog aan. Zijn hele lichaam is overdekt met klewangsteken, teennagels uitgetrokken, vingers afgesneden, handen met een dik koord op de rug gebonden. Ook hij wordt op dezelfde manier begraven, naast de anderen

Van de Zande: "De jongens zijn niet officieel geïdentificeerd, het plaatje was van hen afgehaald, dat droegen ze niet meer. We hebben ze te nonchalant begraven. Maar wat doe je, het is oorlog en je bent bang en je wilt de jongens toch begraven."

Ondanks het feit dat de lichamen geen identificatie-­plaatje dragen, zegt Van de Zande toch te weten wie de mannen zijn. Zo herkent hij soldaat Leo Kuijpers aan zijn grote postuur, hij weet dat hij ook soldaat Bolleurs uit het water heeft gehaald, hij herkende de gevlochten zilveren ring die hij droeg. Hij weet ook, dat de andere man soldaat Van den Braak uit Den Haag is.

Arrestaties en verklaringen

In februari 1948 zijn enige TNI-­commandanten aanwezig in het Nederlandse detachement Tjampangtiga, te weten de Kapitein Alamsjah en de Luitenant Asnawi. Hen wordt gevraagd naar de zaak van de zeven vermiste militairen. Zij blijken niet bereid een verklaring af te leggen. Ook de aanwezigheid van soldaat Sambernan bin Sangratoe, die in het bezit is van een Lee Enfield-geweer van de vermiste patrouille, levert geen gegevens op, omdat betrokkene op grond van officiële voorschriften met behoud van wapen naar Republikeins gebied afgevoerd dient te worden.

Na de arrestatie van een tani (een Indonesische boer) op 21 december 1947, worden in de maanden maart en april 1948 door de Koninklijke Landmacht en de Territoriale Inlichtingen en Veiligheids Groepen opnieuw minstens tien arrestaties verricht en arrestanten verhoord. Ook uit deze verhoren blijkt dat de zeven Nederlandse militairen zijn vermoord door leden van de TNI, het officiële leger van de Republiek Indonesië.
De soldaten Kuijpers, Bolleurs en Van den Braak werden herbegraven als onbekend soldaat op het ereveld Pandu bij Bandung.

Epiloog

Door medewerking van de Oorlogsgravenstichting kon in 2006 op het Ereveld Pandu te Bandung op Java een bijzondere plechtgheid plaatsvinden. Daar werden de namen onthuld van de soldaten Van den Braak, Bolleurs en Leonard Kuijpers, die 58 jaar als onbekend soldaat begraven waren geweest.
Bij de plechtigheid waren ook de hoogbejaarde zusters van Kuijpers aanwezig. Voor hen was dit het moment waarop hun hoop gevestigd was: de dag dat hun broer Leo niet langer naamloos begraven zou zijn.

Bronnen

  • Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog: Nederlands Indië, door Dr. L. de Jong
  • Centraal Archieven Depot Ministerie van Defensie Rijswijk
  • Instituut voor Militaire Geschiedenis ʹs-­Gravenhage
  • Nederlandse Oorlogsgraven Stichting-'s-­Gravenhage
  • Gesprekken met oud-­militairen van 4.7. R.I. van de Koninklijke Landmacht Gesprekken met oud-­militairen van het Koninklijk Nederlands-­Indisch Leger
  • Gesprekken met oud-­militairen van de Territoriale Inlichtingen en Veiligheidstroepen op Zuid-­Sumatra

© 2014 Pia Media BV

 
 
Copyright © 2017 Pia Media B.V.